Belangrijk nieuws voor oud-Nederlanders in het buitenland. De Raad van State oordeelt vandaag dat het verlies van de Nederlandse nationaliteit kan worden heroverwogen. De Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), waarin is geregeld wie Nederlander is, moet voortaan met een meer menselijke maat worden toegepast. Dat is goed nieuws voor (oud-) Nederlanders in het buitenland, die de strenge RWN al jaren als een keurslijf ervaren. Zij kunnen vanaf vandaag toch een Nederlands paspoort gaan aanvragen. De bevoegde autoriteit zal dan moeten beoordelen of het verlies van de Nederlandse nationaliteit jegens hen mogelijk onevenredig was. Als dat inderdaad zo was, dan moeten de oud-Nederlanders met terugwerkende kracht worden beschouwd als Nederlanders, die nooit hun nationaliteit verloren. Zij komen dan in aanmerking voor een nieuw paspoort.

Automatisch verlies van het Nederlanderschap

Je Nederlandse nationaliteit zomaar verliezen, zonder dat je dat zelf doorhebt, dat klinkt als een nachtmerrie. Toch overkomt dit jaarlijks ten minste tientallen Nederlanders. Artikel 15 en artikel 16 van de Rijkswet op het Nederlanderschap bepalen namelijk rechtstreeks wanneer wij ons Nederlanderschap automatisch verliezen. Het verlies treedt automatisch en zonder menselijke maat in werking, en is onomkeerbaar. Wie eenmaal de Nederlandse nationaliteit verloren is, kan op geen enkele manier verzoeken deze terug te mogen ontvangen. Geen enkele autoriteit in Nederland is namelijk bevoegd de verloren nationaliteit te herstellen.

Hoe werkt deze regel precies?

Op grond van artikel 15 van de RWN verliest een meerderjarige Nederlander vanzelf en onherroepelijk de Nederlandse nationaliteit zodra op enig moment drie voorwaarden tegelijkertijd vervuld raken:

  1. Ten eerste werkt de regel alleen tegen Nederlanders die tien jaar lang als meerderjarige buiten de Europese Unie wonen. Op grond van deze regel kan iemand dus op zijn vroegst op zijn of haar achtentwintigste verjaardag het Nederlanderschap kwijtraken.
  2. Ten tweede moet iemand gedurende deze tien jaar ook steeds een tweede nationaliteit hebben bezeten. Het maakt echter niet uit welke nationaliteit dat is, en hoeveel feeling iemand met die nationaliteit heeft. Een Nederlander die bijvoorbeeld, mogelijk onvrijwillig, óók Marokkaan is, valt onder deze regeling.
  3. De laatste voorwaarde luidt dat gedurende de tien jaar géén Nederlands identiteitsdocument, noch een officiële verklaring van het Nederlanderschap is afgegeven. Bij de afgifte van een nieuw Nederlands paspoort, gaat dus steeds opnieuw een klok tikken, terwijl de Nederlander in kwestie daarvan misschien helemaal niet op de hoogte is. Een kleine slordigheid als het te laat aanvragen van een nieuw paspoort, kan dus desastreuze gevolgen hebben.

Artikel 16 van de RWN ziet op minderjarige Nederlanders. Op grond van dit artikel verliest een Nederlands kind, als het tevens een andere nationaliteit bezit, automatisch het Nederlanderschap wanneer zijn of haar ouder door tijdsverloop het Nederlanderschap verliest – tenzij de andere ouder nog Nederlander is. De wet beschouwt kinderen daarmee als een soort aanhangsel van hun ouders, en ontneemt hen de mogelijkheid om zelf te beslissen over hun Nederlandse nationaliteit. Bovendien geldt dat een onbedoelde misstap van een geëmigreerde bipatride Nederlander niet alleen nadelig uitpakt voor hem- of haarzelf, maar ook doorwerkt in de levens van eventuele kinderen.

Hoe is deze wetgeving voor de rechter gekomen?

Marika Tjebbes is in Canada geboren als kind van een geëmigreerde Nederlandse vader en Canadese moeder. Marika heeft bij geboorte dus twee nationaliteiten. Daar heeft zij niet zelf voor gekozen. Zij woont in haar jeugd enkele jaren in Nederland, en gaat hier naar school. Als ze achttien is – ze woont dan al in Canada – krijgt zij een Nederlands paspoort. Dit is op 9 mei 2003. Marika weet niet dat op die datum voor haar een klokje begint af te tellen. Als zij, als meerderjarige bipatride Nederlander, wonend buiten de EU, binnen tien jaar haar paspoort niet zal verlengen, dan zal ze automatisch – en onherroepelijk – haar Nederlandse nationaliteit verliezen.

Marika Tjebbes koestert de wens om in Nederland te komen wonen en werken. Hier ligt een deel van haar roots. Maar in 2007 wordt ze arbeidsongeschikt. De plannen – en daarmee de noodzaak om een Nederlands paspoort aan te vragen – belanden in de ijskast. In de loop van 2013 gaat het beter met Marika Tjebbes. In april 2014 meldt Marika zich voor een nieuw paspoort bij de Nederlandse ambassade. Maar tot haar ontsteltenis blijkt dan dat zij al een jaar eerder, zonder daarvan te hebben geweten of voor te zijn gewaarschuwd, onherroepelijk haar Nederlandse nationaliteit is verloren.

Rechtszaak over Nederlands paspoort

Marika Tjebbes laat het er echter niet bij zitten. Samen met gespecialiseerd jurist Arend van Rosmalen van Mynta Law stelt Marika Tjebbes beroep, en later hoger beroep in bij de bestuursrechter. Op 19 april 2017 besluit de Raad van State prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. De vraag luidt of zo’n onverbiddelijke regeling, die machinematig en zonder de mogelijkheid om individuele factoren nog te kunnen wegen, wel in overeenstemming is met beginselen rondom het EU-burgerschap. Bijna twee jaar later, op 12 maart 2019, doet het Hof van Justitie van de EU uitspraak. Het Hof oordeelt dat een wettelijke regeling die automatisch werkt, op zichzelf wel is toegestaan, maar dat de wet aan diegenen die hun Unieburgerschap verliezen dan wel op zijn minst een mogelijkheid moet bieden de gevolgen ongedaan te maken, voor als het verlies achteraf jegens hen onevenredig blijkt te zijn. De Raad van State moet beoordelen of aan deze voorwaarde in Nederland is voldaan.

Uitspraak Raad van State:

De Raad van State heeft vandaag geoordeeld dat de Rijkswet op het Nederlanderschap voortaan ruimer moet worden toegepast, omdat anders niet aan de Europese norm zou worden voldaan. De bevoegdheid hiertoe kan rechtstreeks worden gekoppeld aan de Europese verdragen. Dat op zichzelf is al zeer baanbrekend – nog nooit oordeelde een rechter dat de bevoegdheid tot het (terug)geven van een nationaliteit rechtstreeks op het EU-recht kan worden gebaseerd.

Voor Nederlanders die door tijdsverloop hun Nederlandse nationaliteit zijn kwijtgeraakt, geldt dat zij de mogelijkheid moeten krijgen om de evenredigheid daarvan alsnog te laten toetsen. Dat kan door een paspoort aan te vragen, zo oordeelt de Raad van State. Aan de hand van een afweging van individuele omstandigheden moet de autoriteit die een paspoort kan afgeven, alsnog beoordelen of het verlies van het Nederlanderschap destijds onevenredig is geweest. Blijkt dit het geval, dan moet de betrokkene tóch als Nederlander worden aangemerkt.

De Raad van State geeft ook handvatten aan de bestuursorganen die deze paspoortaanvragen moeten gaan beoordelen. De Raad van State oordeelt: “Voor een succesvol beroep op het evenredigheidsbeginsel is vereist dat de betrokkene gevolgen ondervindt die in de sfeer van het Unierecht liggen”. Daarmee bedoelt de Raad van State dat argumenten die “alleen” zien op het voortduren van een effectieve band met Nederland, helemaal geen effect hoeven te hebben. Dat iemand zich nog helemaal als Nederlander beschouwt, en een  sterke verbondenheid voelt met Nederland, dat er hechte contacten zijn met vrienden in Nederland, of dat iemand Nederlands spreekt, dat “ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor”, aldus de Raad van State. Deze factoren hebben geen verband met het Unierecht, en kunnen dus niet leiden tot een succesvol beroep op het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.

Een succesvol beroep hierop moet verband houden met verlies van rechten die iedere Nederlander aan het Europese recht ontleent. Dit geldt onder andere wanneer het verlies van het Nederlanderschap de volgende gevolgen meebrengt:

  • Beperkingen in de daadwerkelijke uitoefening van het rechten van vrij verkeer en verblijf
  • Beperkingen in het daadwerkelijk onderhouden van regelmatige banden met gezinsleden
  • Beperkingen in het daadwerkelijk verrichten van beroepsactiviteiten in de EU
  • Daadwerkelijke risico’s dat iemands veiligheid of vrijheid op het spel staan – bijvoorbeeld wanneer de oud-Nederlander nu in een onvrij land moet blijven.

Van belang is tenslotte dat de situatie zal worden beoordeeld zoals deze was bij het verstrijken van de tienjaarstermijn of het verlies van het Nederlanderschap als minderjarige. Gevolgen die pas op veel latere datum worden ervaren, spelen dus niet meer mee.

Rijkswet op het Nederlanderschap moet op de schop

De politiek is nu aan zet. De Rijkswet op het Nederlanderschap zal binnenkort worden aangepast. Mynta Law raadt de politiek aan om hiermee vaart te maken. Ook zou de evenredigheidstoets verder moeten worden uitgebreid. Het is volstrekt onwenselijk om Nederlanders eerst voor te houden dat zij een beroep op “het evenredigheidsbeginsel” kunnen doen, om hen vervolgens af te serveren met de opmerking dat “uw zaak weliswaar onevenredig was, maar niet vanuit een Europees perspectief”. De Tjebbes-uitspraak zou beter als een kans kunnen worden gezien om de Rijkswet op het Nederlanderschap écht inhoudelijk te gaan verbeteren.

Eerdere kritiek op automatisch verlies van het Nederlanderschap

De Nederlandse verliesregeling werd eerder al scherp bekritiseerd vanwege de disproportionaliteit ervan. In 2016 publiceerde de Nationale Ombudsman een vernietigend rapport over de regeling, en over een gebrek aan voorlichting aan Nederlanders in het buitenland. In het rapport worden talloze schrijnende situaties opgesomd van geboren en getogen Nederlanders die door onbekendheid met de regelgeving opeens worden behandeld als vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland.

Contact

Voor vragen over deze uitspraak en de gevolgen ervan kunt u contact opnemen met Arend van Rosmalen, de jurist die Marika Tjebbes bijstaat. E-mail: vanrosmalen@mynta.nl; Telefoon: 070 205 1163